De wonderen zijn de wereld nog niet uit

21-12-16

Ik noem haar hier Margreet. Ze was rond de dertig toen ze de diagnose leukemie kreeg. Ze ging als een fitte, gezonde vrouw het ziekenhuis in om daar doodziek te worden van de kuren die ze moest ondergaan. Uiteindelijk werd Margreet maar 34 jaar.

Toen ik 17 jaar was, en ik voor mijn opleiding een stageplaats had, was het bij de ouders van Margreet. Ik had een blauw uniform en een witte schort, zo’n echte ouderwetse met een dubbele knoop achterin. Iemand die ze niet kent, weet niet waar ik het over heb, maar wie de schorten wel kent, ziet het voor zich. Ik heb een half jaar in het gezin mee mogen draaien als voorwerk voor mijn latere opleiding voor gezinsverzorging. Na die tijd hielden we contact. Toen ik zelf kinderen kreeg, verwaterde dat en heb ik ze een jaar of tien niet gezien.

 

Toen werd Margreet ziek en ze vroeg naar mij. Eerst belden we regelmatig. Daarna ging ik iedere week op bezoek in het ziekenhuis. Ik kon met iemand meerijden naar Groningen, was daardoor altijd buiten de bezoektijden en dus alleen met haar. Per week ging het slechter. Ook als het leek alsof ze niet bij bewustzijn was, zat ik een poos naast haar bed. Ik las wat voor, zong een liedje en hield haar hand vast. Misschien omdat ik haar elke week achteruit zag gaan, keek ik door haar zieke uiterlijk heen, maar het was niet fraai.

Ik wist niet zeker of ze wist dat ik bij haar was en ze me hoorde. Ik vroeg Margreet: “Als je me kunt horen, geef me dan een signaal met je hand of met je gezicht”. Ze kneep met haar ogen. We hadden een communicatiemiddel! Dan is het nog de kunst om de goede vragen te stellen. Dat lukte.  Door het wekelijkse bezoek en onze intense manier van communiceren, was er een mooie vriendschap ontstaan.

Op een dag was ik bij Margreet en kwam haar broer binnen met zijn vrouw. Margreet en haar broer hadden elkaar al jaren niet gezien. Hij zei: “Wij zijn hier fout, dit is Margreet niet”. Toen zag hij mij en zei: “Nel?”, ik had hem zeker tien jaar niet gezien. “Je hebt het mis”, zei ik, “het is Margreet wel”. Ik wendde me tot Margreet en zei: “ Je raadt nooit wie er zijn….”. De broer en zijn vrouw ploften geschrokken op een stoel neer. Wat fijn dat ik er was. Ik kon helpen met het gesprek. Ik vertelde Margreet wie er waren en er liep een traan uit haar ooghoek. Ik legde haar broer uit hoe wij communiceerden en dat zij ons wel degelijk hoorde. Ik vroeg hem iets te vertellen over zichzelf. Eerst weifelend, maar later vertelde hij vlot over de afgelopen jaren. Over zijn gezin en zijn bedrijf.

 

Toen zei zijn vrouw: “We hebben een cadeautje bij ons.” Ik vroeg Margreet of ik het voor haar open zou maken. Vertelde hoe het papier eruit zag, knisperde wat extra en vertelde dat er een boek in zat. “Een kinderboek, ongeveer 30 bij 40 cm. Op de voorkant een haas. De titel luidt “Raad eens…hoeveel ik van je hou”. Ik vroeg of ik het voor zou lezen, want het was niet zo’n dik boek. Ze kneep met haar ogen. Dus ik las voor. Ik las over Hazeltje die vroeg: “Grote Haas, kom eens hier met je oren. Ik moet je iets heeeel belangrijks vertellen. Raad eens hoeveel ik van je hou?” Hazeltje en Grote Haas willen elkaar graag laten zien hoeveel ze van elkaar houden. Telkens als Hazeltje iets bedacht heeft, doet Grote Haas daar een schepje bovenop.”

Terwijl ik dit aan het voorlezen ben, lijkt alsof er een helder licht aan gaat. Er doet een verpleegster de deur van de kamer open en gaat weer weg. Ik lees steeds maar door, er rollen tranen over mijn wangen en over die van Margreet. Het is een mooi en zuiver moment. Als het verhaal uit is, ebt het zachte, heldere licht weg. We zeggen even niets. Ik vraag Margreet of ik hun mag bedanken namens haar en mij, bedanken voor dit mooie moment. Ze knijpt met haar ogen. Er was een serene sfeer en we spraken nog even na over het vreemde licht waar we geen verklaring voor hadden.

Even later komt de verpleegster die eerder aan de deur was, binnen. Zij zegt: “Wat was dat hier voor licht, ik kon niet eens binnenkomen!”. Zij had het ook gezien.